Flexibel pensioen

Zowel met je werkgeverspensioen als het pensioen dat je zelf hebt opgebouwd, kun je, binnen een bepaalde bandbreedte, flexibel omgaan. Dir worden ook wel de flexibiliseringsmogelijkheden genoemd. De meest bekendste voorbeelden zijn de pensioenuitkeringen eerder of later dan de AOW datum in laten gaan. Daarnaast heb je in de veel pensioenregelingen nog de volgende keuzemogelijkheden:

De exacte regels rondom deze keuzemogelijkheden voor flexibel pensioen zijn vastgelegd in je pensioenregeling. De financiële consequenties van deze mogelijkheden kun je altijd door laten berekenen in een offerte van de pensioenuitvoerder, verzekeraar of bank.

Hoog-laag pensioen

Zoals het woord al zegt, heb je bij deze constructie eerst een vaste periode een hoge pensioenuitkering en daarna een levenslange lagere uitkering. Andersom kan ook, eerst een lage en dan een hoge uitkering; dan is het een laag-hoog pensioen. Een laag-hoog uitkering komt minder vaak voor. Mensen kiezen hier soms voor als zijzelf of hun partner, in de eerste jaren na pensionering nog een salaris ontvangen.

Bij een hoog-laag uitkering heeft de eerste hogere uitkering een vaste termijn van 5 of 10 jaar. De lagere uitkering die hierna volgt, is levenslang. De verhouding tussen de hoge en lage uitkering is maximaal 100:75. Dus de lage uitkering moet minimaal 75% van de hoge uitkering zijn.

Mensen kiezen voor een hoog-laag uitkering als ze de eerste jaren na pensionering een hoger inkomen nodig hebben. Bijvoorbeeld doordat ze nog studerende kinderen hebben, de hypotheek nog niet volledig afbetaald hebben of de periode tot aan hun AOW-leeftijd willen overbruggen. In deze laatste situatie, ter overbrugging, heeft het hoog-laag pensioen nog extra voordelen. In dat geval mag je, buiten de bandbreedte van 100:75, je hoge uitkering extra verhogen met 2 x een AOW uitkering voor gehuwden (2 x € 10.725,-  in 2020) per jaar, tot aan je AOW-leeftijd.

Let op: je opgebouwde pensioenkapitaal wijzigt niet. Dus vanzelfsprekend ontvang je bij hoge uitkeringen in de eerste jaren na pensionering, vele lagere levenslange uitkeringen na de termijn van 5 of 10 jaar.

Variabel pensioen

Normaal gesproken wordt een opgebouwd pensioenkapitaal op de pensioendatum volledig omgezet in vaste periodieke uitkeringen. Bij een variabel pensioen ga je na je pensioendatum door met het beleggen van je het opgebouwde pensioenkapitaal. Dit wordt ook wel ‘doorbeleggen’ genoemd. Na je pensionering bepaalt de pensioenuitvoerder steeds voor één jaar de hoogte van je pensioenuitkering. De uitkering van dat jaar is afhankelijk van het beleggingsresultaat van het jaar ervoor. De hoogte van je pensioenuitkering is dus ieder jaar anders. En kan zowel hoger als lager dan het jaar ervoor zijn.

Je kunt alleen kiezen voor een variabel pensioen als je een kapitaalovereenkomst, premieovereenkomst of een vrijwillig opgebouwd pensioenkapitaal hebt. Hierbij moet je met het opgebouwde pensioenkapitaal immers zelf periodieke pensioenuitkeringen ‘aankopen’.

Bij een variabel pensioen ligt het risico op mee- of tegenvallende beleggingsresultaten bij de pensionado. Dit betekent dat je risicobereidheid, de mate waarin je als persoon om kunt gaan met deze risico’s, groot moet zijn. Het is niet de bedoeling dat je slapeloze nachten krijgt als de beurs weer eens een dipje doormaakt. Je kunt beter ook niet kiezen voor een variabel pensioen als je volledig afhankelijk bent van deze pensioenuitkering en je je eigenlijk geen financiële tegenvaller kunt permitteren.

Deeltijd pensioen

Wil je na je 60ste tot aan je AOW-leeftijd graag minder werken, maar niet teveel in inkomen achteruit gaan? Dan kun je wellicht gebruik maken van deeltijd pensioenuitkeringen. In overleg met je werkgever ga je minder uren werken. En van je pensioenuitvoerder ontvang je alvast een deeltijd pensioenuitkering voor het deel dat je minder bent gaan werken. Hierdoor word je terugval in inkomen deels gecompenseerd. Je inkomen is nog steeds lager dan voorheen, maar minder laag als zonder deze compensatie. Over de uren die je blijft werken tot aan je AOW-leeftijd, blijf je tevens pensioen opbouwen.

Uitruil ouderdomspensioen/partnerpensioen

Uitruil van partnerpensioen: Op je pensioendatum kun je kiezen om opgebouwd partnerpensioen uit te ruilen tegen hoger ouderdomspensioen. Bijvoorbeeld omdat je geen partner hebt of omdat je partner zelf een goed inkomen heeft. Je ontvangt dan gedurende je leven een hoger ouderdomspensioen. Maar je (eventuele) partner heeft geen recht meer op partnerpensioen na je overlijden. Heb je een partner op je pensioendatum? Dan moet hij of zij ook akkoord geven op de uitruil van het partnerpensioen.

Uitruil van ouderdomspensioen: Hierbij ruil je een deel van het ouderdomspensioen om voor een hoger partnerpensioen.  Het partnerpensioen mag echter nooit hoger worden dan 70% van het ouderdomspensioen. Mensen kiezen vaak voor deze vorm van uitruil omdat ze wel een partner hebben, maar geen partnerpensioen hebben opgebouwd. Of omdat ze zelf ernstig ziek zijn en hun partner goed verzorgd willen achterlaten.

Indexering

Met indexering wordt ook wel de inflatiecorrectie op je pensioenuitkeringen bedoeld. In je pensioenregeling lees je meer over de ‘waardevastheid’ van je pensioen. Wellicht kun je nu, op je 67ste, prima rondkomen van een maandelijkse pensioenuitkering van € 800,- bovenop je AOW. Maar lukt dit ook nog op je 92ste, 25 jaar later? Door inflatie zijn de prijzen in 25 jaar gestegen. Met een goed geïsoleerd, afgelost koophuis heb je minder last van de inflatie van je woonlasten dan met een slecht geïsoleerd huurhuis.

Pensionado’s met een gegarandeerde pensioen uit een uitkeringsovereenkomst, zijn afhankelijk van de afspraken in de pensioenregeling en de hoogte van de dekkingsgraad (pensioenfonds) of andere voorzieningen (verzekeraars). Het pensioenfonds of de verzekeraar bepaalt per jaar (al dan niet in samenspraak met de werkgever) of en hoeveel de pensioenuitkering geïndexeerd wordt.

Heb je een kapitaalovereenkomst, premieovereenkomst of een vrijwillig opgebouwd pensioenkapitaal? Dan kun je kiezen wat voor type pensioenuitkeringen je wilt ontvangen. Vaak kun je kiezen tussen een hogere vaste pensioenuitkering en een wat lagere pensioenuitkering die ieder jaar geïndexeerd wordt.  Het indexpercentage kan een vast percentage zijn, bijvoorbeeld ieder jaar een verhoging van 2%, of het volgt ieder jaar een bepaalde index, zoals de CPI (Consumenten Prijs Index). De AOW-uitkering wordt sowieso ieder jaar geïndexeerd.